HOOFD

VERBLIJFPLAATS

 

Wat bepaalt de hoofdverblijfplaats

Aangifte van adreswijziging dient door de burger te gebeuren bij de gemeente, dit binnen de acht werkdagen na vestiging van een nieuwe hoofdverblijfplaats. Bij niet naleven van deze termijn kan de overheid als sanctie voorzien in een geldboete. Binnen de acht werkdagen na de aangifte dient de lokale overheid een onderzoek naar de reële verblijfplaats van de burger uit te voeren. Artikel 7, § 4 KB over de bevolkingsregisters. 

De regelgeving over de bevolkingsregisters bepaalt nergens door wie dit onderzoek dient te gebeuren, maar ingevolge de omzendbrief van 1 december 2006 zal dit onderzoek door de lokale politie (wijkagent) gebeuren.

Lees meer

Gelet op de intensieve onderzoeksdaden die de politie mag uitvoeren zal de termijn van acht werkdagen vaak overschreden worden. De overheid voorziet echter geen sancties wanneer haar vertegenwoordiger – de politie – de vastgelegde termijn van 8 dagen overschrijdt. Het is voor de overheid belangrijker dat het onderzoek diepgaand en volledig gebeurt dan dat de vastgelegde termijn door haar vertegenwoordiger wordt nageleefd. (dus zoals we vaak zien in België, de overheid leeft haar eigen regels niet na)

Het onderzoek houdt in dat wordt nagegaan of de betrokken burger effectief daadwerkelijk zijn hoofdverblijfplaats heeft op het adres dat door betrokkene werd opgegeven en het is tegelijk een onderzoek naar de gezinssamenstelling.

Het onderzoek of een bepaalde persoon er effectief woont, houdt in dat moet nagegaan worden of betrokkene er zijn hoofdverblijfplaats heeft. Daarvoor word een drietraps toets toegepast, nl. (i) heeft de betrokkene er effectief de beschikking over een woning, (ii) wordt die woning effectief bewoond door de betrokkene en (iii) heeft de betrokkene de bedoeling er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen.

De hoofdverblijfplaats wordt door artikel 3 van de wet over de bevolkingsregisters gedefinieerd als de plaats waar de leden van een huishouden dat uit verscheidene personen is samengesteld gewoonlijk leven, ongeacht of die personen al dan niet door verwantschap verbonden zijn, of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft. De hoofdverblijfplaats is dus de plaats waar men voor de overheid en de medeburgers aan te treffen is, omdat men daar het grootste deel van het jaar verblijft.

De wet beschouwt als hoofdverblijfplaats de plaats waar de betrokken persoon effectief de beschikking heeft over een woning, die hij echt blijkt te bewonen en die hij betrekt met de bedoeling er zijn hoofdverblijf te vestigen, dat wil zeggen er de verblijfplaats van te maken van waaruit hij deelneemt aan het maatschappelijk verkeer, waar hij zich terugtrekt voor zijn privéleven, waar het centrum ligt van zijn gezinsleven en waar hij, zo hij een bedrijvigheid buitenshuis uitoefent, na de dagtaak regelmatig terugkeert en er gewoonlijk verblijft (R.v.St., LAMBRECHTS, nr. 28.317, 30 juni 1987; R.v.St., FRANCOIS, nr. 37.576, 10 september 1991; R.v.St., PANHUYZEN, nr. 52.415, 22 maart 1995; R.v. St., SMEERS e.a., nr. 60.752, 4 juli 1996; R.v.St., DE VLIEGHERE e.a., nr. 81.422, 29 juni 1999; R.v.St., VAN DEN BOGAERT e.a., nr. 82.258, 14 september 1999). Artikel 16,§ 1 van het KB over de bevolkingsregisters voegt daar onmiddellijk aan toe dat de bepaling van de hoofdverblijfplaats is gebaseerd op een feitelijke situatie, dat wil zeggen de vaststelling van een effectief verblijf in een gemeente gedurende het grootste deel van het jaar.

Het koninklijk besluit en de rechtspraak van de Raad van State vullen deze definitie verder in. Uit de gehanteerde definitie blijkt al onmiddellijk dat een hoofdverblijfplaats een zekere duurzaamheid vereist (‘gewoonlijk leven’). Het bepalen van een hoofdverblijfplaats is ook gebaseerd op een feitelijke situatie, gecombineerd met de bedoeling om van een verblijfplaats de hoofdverblijfplaats te maken. Een bedoeling alleen volstaat niet.

Onze ervaring wijst uit dat dit in theorie allemaal veel eenvoudiger van toepassing is dan in de praktijk. Wat bijvoorbeeld in de gevallen wanneer een vertegenwoordiger van de overheid – de politie en bevolkingsdienst – inzake bepaling hoofdverblijfplaats er een andere mening op nahoud dan de burger. Het spreekt voor zich dat het bepalen van de hoofdverblijfplaats en het tot stand komen van een registratie bij de bevolkingsdienst dan niet altijd zo vanzelfsprekend en voor de hand liggende is.

De politie beambte die een negatief verslag uitbrengt doet dit meestal met de motivering dat betrokkene niet zijn hoofdverblijfplaats heeft op het adres waar betrokkene de aanvraag tot registratie deed. Uit ervaring weten we dat deze vaststelling en negatief advies van de politie beambte inzake bepaling van de hoofdverblijfplaats vaak op grond van realiteit is. Uit onze praktijk ervaring weten we dat mensen nadat ze een pand ter beschikking krijgen soms niet daadwerkelijk hun intrek nemen in het pand, er hun hoofdverblijfplaats niet daadwerkelijk vestigen, de opgegeven hoofdverblijfplaats blijkt in dergelijke situatie louter illusoir te zijn. Niet verwonderlijk wanneer de overheid dergelijke aanvraag tot inschrijving dan vervolgens weigert.

Wie rechten heeft gestudeerd weet dat de wetten – vooral de fiscale wetten – van België bijna altijd tot stand komen achter de deuren van bepaalde advocaten kantoren, hierbij bij aanvang reeds voorzien in een aantal uitzonderingen. Ook het systeem rond de rijksregisters voorziet in mogelijkheden waarmee men ingeschreven kan blijven of ingeschreven kan worden binnen de rijksregisters hoewel men niet (meer) aan te treffen is op de voorheen gekende hoofdverblijfplaats.

Een mens kan immers in omstandigheden terecht gekomen zijn, waardoor men – tijdelijk – niet meer in de mogelijkheid verkeerd in beschikking tot een ‘hoofdverblijfplaats’ zoals we dit begrip kennen dat algemeen centraal staat in de wet over de bevolkingsregisters en zoals we deze bepaling in de ‘doorsnee samenleving’ kennen. Onder de wet en het koninklijk besluit bepaalde voorwaarden kan men dan toch nog ingeschreven blijven zolang men aan de voorwaarden voldoet.

De burger die onder deze in de wet en het koninklijk besluit bepaalde voorwaarden kan worden ingeschreven in de rijksregisters heeft dus niet noodzakelijk de registratie op zijn hoofdverblijfplaats, maar kan wel gecontacteerd worden en behoud al zijn rechten, inclusief de sociale rechten.

Volgens de algemene regels moet men worden ingeschreven, daar waar men effectief het grootste deel van het jaar verblijft, op de hoofdverblijfplaats. Dankzij de uitzonderingen op de algemene regel kan men restrictief & creatief handelen binnen het wettelijk kader.

Het onderzoek en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats gebeurt door de politie op basis van verschillende elementen. Na afloop van dit onderzoek, en binnen twintig dagen na de datum van aangifte wijziging hoofdverblijfplaats, geeft de gemeentelijke overheid er aan de gemeente van de vorige verblijfplaats ofwel kennis van dat de betrokkene ingeschreven is in de registers (gebruik van het inschrijvingsbewijs model 3), ofwel dat zijn aanvraag om inschrijving geweigerd is (gebruik van het attest van niet-inschrijving model 4). De datum van inschrijving is in beginsel de datum waarop de aangifte van verblijfsverandering werd verricht. Indien echter bij het onderzoek van de reële verblijfplaats duidelijk zou blijken dat betrokkene op het ogenblik van de aangifte van verblijfsverandering nog niet zijn hoofdverblijf kon hebben op het desbetreffend adres, kan de inschrijving gebeuren op een latere datum, maar nooit later dan de datum van de positieve woonstvaststelling. De datum waarop door de bevolkingsdienst van de gemeente het IT 001 effectief wordt bijgewerkt, wordt automatisch geregistreerd in het IT 251 (datum van de bijwerking van de hoofdverblijfplaats) (cfr. de omzendbrief van 6 april 2011 van de Dienst Rijksregister – IT 251: Datum bijwerking hoofdverblijfplaats)

Uit artikel 3 van de wet en artikel16,§ 1 van het KB kunnen onmiddellijk een aantal belangrijke principes worden afgeleid:

1. De vaststelling va n een hoofdverblijfplaats is gebaseerd op een feitelijke situatie. RvS 4 december 2007, nr. 177.560: het bepalen van de hoofdverblijfplaats van iemand is een feiten kwestie.

Er zal dus in de feiten nagegaan worden of iemand op een bepaalde plaats zijn hoofdverblijfplaats heeft. De bedoeling van iemand om op een bepaalde plaats zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, volstaat dus niet voor het betrokken gemeentebestuur om de aanvraag tot registratie als inschrijving hoofdverblijfplaats te rechtvaardigen. Artikel16, § 3 wet op de bevolkingsregisters. Ook zo volgens RvS 7 januari 1986, nr. 26.007, R.W. 1986-87, 1920: dat met een intentie immers geen rekening kan gehouden worden wanneer het materieel element, de feitelijke bewoning, ontbreekt.

Tot slot dient gekeken te worden of de burger de bedoeling heeft om in die woning zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, zijn intentie ook effectief gaat uitvoeren, m.n. of hij er wil deelnemen aan het maatschappelijke en sociale leven, waar hij zijn gezinsleven beleeft, …

De hoofdverblijfplaats kan beschreven worden als de plek waar iemand zijn pantoffels staan, waar zijn thuis is zodat deze door politie kan vastgesteld worden in de feiten.

2. Hoewel de bedoeling alleen niet volstaat, speelt het intentionele element wel een rol bij de vaststelling van iemands hoofdverblijfplaats. Men moet niet enkel duurzaam verblijven op een bepaalde plaats; men moet dit ook doen met de bedoeling op die plaats zijn hoofdverblijfplaats te willen vestigen, nl. er het centrum van zijn belangen vestigen.

3. Artikel 16, § 1 van het KB over de bevolkingsregisters somt een aantal elementen op die van belang zijn bij het beoordelen van die feitelijke situatie. Deze elementen zijn slechts voorbeelden van elementen waarmee rekening kan gehouden worden. RvS 26 mei 2008, nr. 183.377. De elementen werden ook niet in volgorde van belangrijkheid opgenomen. RvS 25 oktober 1995, nr. 56.024.

Er moet bij een beslissing over het vaststellen van iemand zijn hoofdverblijfplaats ook niet telkens rekening gehouden te worden met al deze elementen. RvS 9 januari 2012, nr. 217.145.

Het gaat hier dus over verschillende puzzelstukken die moeten verzameld worden om op basis daarvan een beslissing te maken over de plaats waar iemand zijn hoofdverblijfplaats heeft.

4. Er is voor de overheid slechts één hoofdverblijfplaats mogelijk. Een burger kan meerdere verblijfplaatsen hebben (bv. in de week werkt hij op een bepaalde plaats en verblijft hij daar ook, terwijl hij in het weekend elders verblijft), maar hij kan slechts één hoofdverblijfplaats hebben en slechts op één plaats ingeschreven worden in de bevolkingsregisters. Een burger met meerdere verblijfplaatsen kiest in eerste instantie zelf zijn hoofdverblijfplaats door één van die verblijfplaatsen als hoofdverblijfplaats aan te geven; de vertegenwoordiger van de overheid zal daar controle op uitoefenen bij de woonstcontrole en daar al dan niet de burger op die plaats inschrijven in de bevolkingsregisters.

5. Men hoeft geen eigenaar te zijn, GEEN titel, huurovereenkomst, of wat dan ook voor te leggen. Aangezien de vaststelling van de hoofdverblijfplaats voornamelijk is gebaseerd op een feitelijke situatie. Men hoeft dus geen eigenaar te zijn of bij de aangifte wijziging hoofdverblijfplaats GEEN document voor te leggen (bv. huurcontract) waaruit blijkt dat men op die plaats zijn hoofdverblijfplaats mag vestigen.

Om op een bepaalde plaats ingeschreven te worden in de bevolkingsregisters moet men immers aantonen dat men er zijn hoofdverblijfplaats heeft, niet dat men er zijn hoofdverblijfplaats mag hebben.

Dit heeft ook tot gevolg dat krakers moeten worden ingeschreven in de gekraakte woning wanneer uit een woonstcontrole blijkt dat zij daar effectief hun hoofdverblijfplaats hebben. Het betekent ook dat burgers moeten worden ingeschreven in onbewoonbaar verklaarde woningen, zelfs wanneer de burgemeester een woonverbod heeft uitgevaardigd.

Dit heeft eveneens tot gevolg dat clausules in huurovereenkomsten – dat het verboden is in het gehuurde goed zijn hoofdverblijfplaats te vestigen – niet verhinderen dat de huurders op dat adres toch moeten worden ingeschreven wanneer zij daar effectief hun hoofdverblijfplaats vestigen.

Los van de vraag of de huurders dan een contractuele inbreuk plegen ten aanzien van de verhuurder is het de politie en bevolkingsdienst die mag oordelen over de inschrijving in de bevolkingsregisters, deze ambtenaren binnen politie en bevolkingsdienst zijn niet gebonden door dergelijke contractuele clausules tussen twee burgerlijke partijen. De inschrijving in het bevolkingsregister doet immers geen uitspraak over de vraag of op een bepaalde plaats mag gewoond worden, enkel of men er woont.

Betwistingen inzake bepaling hoofdverblijfplaats – Raad van State

Een hoofdverblijfplaats is een weerlegbaar vermoeden waarbij het in eerste instantie de gemeentelijke bevoegdheid is om deze plaats voor de burger vast te leggen, hierbij zal de gemeente oordelen over aangiftes van de nieuwe hoofdverblijfplaats.

Op basis van de inschrijving in het bevolkingsregister geldt aldus een weerlegbaar vermoeden dat iemand op dat adres zijn hoofdverblijfplaats heeft. RvS 7 januari 1986, nr. 26.007, R.W. 1986-87, 1920.

Het vermoeden kan ontkracht worden door feitelijke gegevens die toestaan ondubbelzinnig te besluiten tot het ontbreken van een effectief verblijf op de plaats van inschrijving. De feitelijke elementen – vastgesteld door politie – zijn doorslaggevend om te bepalen waar iemand het grootste deel van het jaar verblijft. RvS 29 juni 1987, nr. 28.257 en 28.258, Arr.RvS 1987,50 RvS 31 mei 1994, nr. 47.695, Arr.RvS 1994, z.p.; RvS 29 juni 1999, nr. 81.422; RvS 24 februari 2005, nr. 141.200.

Lees meer

Omdat de burger zijn hoofdverblijfplaats kan wijzigen, omdat er fouten kunnen gemaakt zijn bij de woonstcontrole en omdat de betrokkene het de overheid om de tuin geleid kan hebben, is het vermoeden van hoofdverblijfplaats altijd weerlegbaar. Na de inschrijving in het bevolkingsregister kan de bevolkingsdienst dus steeds nieuw onderzoek doen of laten doen door de politieMet eventueel een schrapping van ambtswege tot gevolg. RvS 14 september 1999, nr. 82.258.

Het is de burger die moet aantonen dat de betwistingen – aangevoerde gegevens – van de overheid onjuist zijn. RvS 4 juli 1996, nr. 60.752.

De wet over de bevolkingsregisters voorziet in een beroepsprocedure wanneer er betwisting is over de beslissingen van de gemeente inzake een burger zijn hoofdverblijfplaats.

Als burger dient men eerst de procedure van het georganiseerd administratieberoep uit te putten bij de minister van Binnenlandse Zaken, wat wil zeggen dat een rechtstreeks beroep van een burger bij de Raad van State tegen een beslissing van de gemeente over een inschrijving in de bevolkingsregisters onontvankelijk zal zijn. Vaste rechtspraak van de Raad van State, zie bv. RvS 21 oktober 1982, nr.22.575 en RvS 3 mei 1984, nr. 24.300, Arr.RvS 1984, 739; TBP 1985, 393. Voor specifiek de regelgeving over de bevolkingsregisters: zie RvS 27 april1993, nr. 42.700, Arr.RvS 1993, z.n.:

“De weigering van het college van burgemeester en schepenen om verzoeker en zijn gezin uit het bevolkingsregister van de gemeente af te schrijven kan aanhangig gemaakt worden bij de Minister van Binnenlandse Zaken en op die wijze ontstaat een ‘moeilijkheid’ of ‘betwisting’ in verband met het bepalen van de verblijfplaats, zoals bedoeld in art. 23, lid 2 K.B. 1 april 1960 betreffende het houden van de bevolkingsregisters. Alleen de beslissing van de minister of van zijn afgevaardigde kan voor de Raad van State bestreden worden.”

De wet bepaalt dus dat bij betwistingen of moeilijkheden inzake bepaling van een hoofdverblijfplaats in eerste instantie de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde de hoofdverblijfplaats bepaalt. De geschillen over de betwisting van hoofdverblijfplaats werden toevertrouwd aan de FOD Binnenlandse Zaken, Algemene Directie Instellingen en Bevolking, Park Atrium – Koloniën straat 11 – 1000 Brussel. Zie hierover het ministerieel besluit van 11 maart 1998, B.S. 4 april 1998- De Directeur-generaal van de Algemene Directie van de Wetgeving en van de Nationale Instellingen of de ambtenaar die hem vervangt in de uitoefening van zijn taken, is gemachtigd de moeilijkheden en betwistingen te beslechten in verband met het bepalen van de hoofdverblijfplaats, bedoeld in artikel 8 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Zo nodig na een onderzoek ter plaatse te laten uitvoeren, conform artikel 8 wet over de bevolkingsregisters.

Deze procedure houdt voor de gemeente een voordeel in aangezien de gemeente zich nooit als verweerder zal moeten verantwoorden voor de Raad van State. Het beroep dat de burger indient tot schorsing of vernietiging zal dus steeds gericht zijn tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. Indien de burger zich toch meteen tot de Raad van State zou wenden tegen de beslissing van de gemeente dan kan de gemeente dus eenvoudig aanvoeren dat het beroep onontvankelijk is. Ook bij deze procedure tegen de overheid, de kans dat men als burger de tijdrovende strijd wint is natuurlijk minimaal tenzij men geld en relaties heeft…

Een geschil kan dus aan de minister worden voorgelegd door een burger of door een gemeente (bv. bij betwisting tussen twee gemeenten). Het gaat dus over een geschil tussen een particulier en een gemeente of tussen twee gemeenten.

Enkel wanneer het geschil gaat over de betwisting van de hoofdverblijfplaats is de procedure van artikel 8 van de wet over de bevolkingsregisters van toepassing. Daarbij kan het gaan over zowel een weigering van een gemeente om iemand op het opgegeven adres in te schrijven als een beslissing van een gemeente tot ambtshalve inschrijving of afvoering van ambtswege.

De wet bepaalt de theorie, volgens deze theorie moet de minister van Binnenlandse Zaken een eigen beslissing nemen op basis van de feiten die de minister verzameld en die toelaten met zekerheid het hoofdverblijf van de betrokken burger te kennen. RvS 25 maart 1987, nr. 23.730. In geval van betwisting dient de minister van Binnenlandse Zaken voldoende moeite te doen om uit te maken waar iemand zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd, zo niet kan de Raad van State de vernietiging uitspreken. RvS 31 mei 1994, nr. 47.695, Arr.RvS 1994, z.p.

De beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken komt te vervangen de beslissing van de gemeente. De beslissing van de gemeente ‘verdwijnt’ daardoor uit het rechtsverkeer. Dit betekent dat eventuele fouten in de beslissing van de gemeente niet meer relevant zijn.

In de eerste plaats wordt het dossier dus onderzocht. De minister van Binnenlandse Zaken wijst de ambtenaren aan die gemachtigd zijn om een onderzoek ter plaatse uit te voeren naar de moeilijkheden en betwistingen in verband met de vaststelling van de hoofdverblijfplaats.

Deze bevolkingsinspecteurs beschikken – net zoals politie – over de bevoegdheid om woonstcontroles te doen bij de betrokken burger, buren of belanghebbenden te ondervragen, documenten op te vragen,…

Ook vaststellingen, eerder gedaan door de lokale politie (wijkagent) zullen ‘nuttig gebruikt’ kunnen worden door de bevolkingsinspecteurs.

Bij wet bepaalt, de betrokken burger waarover het geschil handelt dient per aangetekende brief op de hoogte te worden gebracht van het resultaat van het onderzoek. Uiteraard kan de betrokken burger enkel op de hoogte gebracht worden wanneer de plaats waar hij woont gekend is. En laat het nu net dit feit – bepaling woonplaats – het onderwerp van discussie zijn.

Men kan deze Belgische Kafka grappig of ernstig nemen, feit is de wet over de bevolkingsregisters schrijft dus niet voor op welk adres de betrokken burger dient te worden aangeschreven (het adres van de bestaande inschrijving in de bevolkingsregisters of het adres dat naar voor komt op basis van het uitgevoerde onderzoek).

De minister van Binnenlandse Zaken (of zijn gemachtigde) zal dus zelf mogen beslissen op welk adres men de betrokken burger zal aanschrijven. De Raad van State kan de beslissing van de minister vernietigen, waarna de minister een nieuwe beslissing moet nemen.

Laat duidelijk zijn dat heel die overheidsshow in handen ligt van politiekers en hun ambtenarij, voor de betrokken burger en de belasting betaler kost dit handen vol geld, uiteindelijk gaat het helemaal nergens over en het voed de wereld niet.

Volgens de Raad van State moet de burger de mogelijkheid hebben om op het einde van het administratief onderzoek, dit is na het verzamelen van alle relevante gegevens, zijn opmerkingen te uiten. RvS 22 november 1994, nr. 50.286, Arr.RvS 1999, z.p. en RvS 9 maart 1999, nr. 79.178, A.P.M.1999, 60. In hoe ver de overheid de gegevens verzamelt en deze daadwerkelijk relevant acht dat is dan weer een heel ander gegeven natuurlijk…

Verder zegt de Raad van State, om de mogelijkheid tot het bieden van tegenspraak ten volle te laten spelen en de betrokken burger de mogelijkheid te geven zich met kennis van zaken te verdedigen, moet hem inzage worden verleend in het volledige dossier. RvS 20 maart 1996, nr.58.674.

Hoewel de hoorplicht niet verder geregeld is in artikel 8 van de wet over de bevolkingsregisters, wordt deze verder ingevuld op basis van de beginselen van behoorlijk bestuur: de betrokken burger moet over een voldoende lange termijn beschikken om zijn verweer voor te bereiden om met kennis van zaken voor zijn belangen te kunnen opkomen. RvS 26 mei 2011, nr. 213.467.

Als betrokken burger mag men niet uit het oog verliezen dat men in deze procedure een geschil heeft met de overheid en hierbij tijdens de – gerechtelijk – procedure op diezelfde overheid is aangewezen in wat betreft het bekomen van een herziening binnen die overheid… Belangenvermenging en the principle of “equality of arms” vormen hierbij binnen België loze begrippen…

De wet voorziet tevens in een zgn. dwangtoezicht het welk inhoud dat indien de gemeente na twee opeenvolgende waarschuwingen blijft weigeren de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken (of zijn gemachtigde) uit te voeren, kan opdracht worden gegeven aan één of meer commissarissen om ter plaatse de beslissing van de minister uit te voeren en dit op kosten van de weigerende gemeente. Artikel 8, § 3 wet over de bevolkingsregisters.

Voor de burger geld als enige rechtszekerheid binnen België de rechtsonzekerheid. Als burger kan je er van op aan dat er beslist een lange termijn zal verstrijken voor dat er uiteindelijk een beslissing valt, gedurende deze uithongerings procedure bevindt de burger zich in een uiterst precaire en kwetsbare positie. De betrokken overheidsvertegenwoordigers zijn zich daar maar al te zeer van bewust, vertegenwoordigers van de overheid hebben een voordeel wat de burger niet heeft, als overheid is men onbeperkt in vertegenwoordigers en financiële middelen, and time is on their side…

Raad van State:

Na ontvangst van het politie verslag met materiële vaststellingen inzake bepaling hoofdverblijfplaats neemt de gemeente ofwel een beslissing tot inschrijving van de betrokkene op het opgegeven adres, ofwel een weigeringsbeslissing. De gemotiveerde beslissing tot niet-inschrijving wordt ter kennis gebracht van de betrokkene. Artikel 7, § 8 KB over de bevolkingsregisters

De beslissing van de gemeente is onderworpen aan de beginselen van behoorlijk bestuur, o.m. het zorgvuldigheidsbeginsel, en de gemeente moet haar beslissing voldoende motiveren Wet van 29 juii 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, B.S. 12 september 1991, zeker in het geval van een weigering tot inschrijving op een bepaald adres. Zoals geweten heeft het gemeente bestuur bij het bepalen van iemands hoofdverblijfplaats een grote appreciatiemarge.

Bij betwistingen kan de Raad van State kan zich niet in de plaats stellen van het bestuur. De Raad van State zal wel de werkelijkheid, correctheid en pertinentie van de aangebrachte motieven bekijken en een kennelijk onredelijk oordeel van het bestuur buiten beschouwing laten. Een beslissing van de gemeente- als voorloper van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken – moet dus voldoende gemotiveerd worden, zodat de Raad van State bij zijn controle over voldoende elementen beschikt om de beslissing te onderzoeken (en te bevestigen). De motivering moet de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet afdoende zijn. De motiveringsplicht heeft als doel de betrokkene in kennis te stellen van de redenen waarom een voor hem ongunstige beslissing werd genomen, dit om de betrokken burger de mogelijkheid te bieden met kennis van zaken te beslissen om al dan niet tegen de beslissing beroep aan te tekenen. Ons advies en ervaring zegt, zinloos voor een burger om tegen de overheid een gerechtelijke procedure te voeren in dergelijke materie…

Ook een positieve beslissing tot inschrijving moet voldoende gemotiveerd worden, desnoods met verwijzing naar het verslag van de woonstcontrole. Dit kan van belang zijn bij een eventuele latere betwisting van de hoofdverblijfplaats of bij vermoedens van domiciliefraude, zodat kan nagegaan worden op basis van welke motieven werd beslist om tot inschrijving over te gaan.

De gemeente mag bovendien haar bevoegdheid in het kader van het houden van de bevolkingsregisters niet afwenden van het doel (bv. weigering van inschrijving omdat de woning of chalet stedenbouwkundig niet vergund is, weigering met motieven die betrekking hebben op sociale uitsluiting, …), in welk geval haar beslissing ongeldig is op basis van machtsafwending. Enkel indien de gemeente van oordeel is dat de betrokkene zijn hoofdverblijfplaats niet heeft op het opgegeven adres, mag zij de inschrijving weigeren. De datum van inschrijving is in principe de daturn van de aangifte van adreswijziging door de burger bij de gemeente.

Betreft de vaststelling van de hoofdverblijfplaats bestaat er een uitvoerige rechtspraak bij de Raad van State. Aangezien de Raad van State bij betwisting over de hoofdverblijfplaats het laatste woord heeft – na het beroep bij de minister van Binnenlandse Zaken – is deze rechtspraak erg nuttig om de draagwijdte van het begrip ‘hoofdverblijfplaats’ te bepalen. De Raad van State hanteert een constante rechtspraak over de invulling van dit begrip.

De Raad van State beschouwt als hoofdverblijfplaats “de plaats waar de betrokken persoon effectief de beschikking heeft over een woning, die hij echt blijkt te bewonen en die hij betrekt met de bedoeling er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, dat wil zeggen er de verblijfplaats van te maken van waaruit hij deelneemt aan het maatschappelijk verkeer, waar hij zich terugtrekt voor zijn privé-leven, waar het centrum ligt van zijn gezinsleven en waar hij, zo hij een bedrijvigheid buitenshuis uitoefent, na de dagtaak regelmatig terugkeert en er onafgebroken verblijft.” RvS 7 januari 1986, nr. 26.007, R.W 1986-87, 1920; RvS 10 september 1991, nr. 37.576, T.Gem. 1992, 361; RvS 22 maart 1995, nr. 52.415; RvS 4 juli 1996, nr. 60.752.

De bevoegde overheidsvertegenwoordigers hebben bij het bepalen van iemands hoofdverblijfplaats een grote appreciatiemarge. De Raad van State gaat zich bij betwisting niet in de plaats stellen van hun collega ambtenaren bij de bevolkingsdienst. De Raad van State zal dus niet zelf de hoofdverblijfplaats gaan vastleggen. RvS 25 maart 2010, nr. 202.348.

De Raad van State zal wel de werkelijkheid, correctheid en pertinentie van de aangebrachte motieven bekijken en een kennelijk onredelijk oordeel van hun collega ambtenaren bij de bevolkingsdienst buiten beschouwing laten. Vaste rechtspraak van de Raad van State; zie o.m. RvS 24 februari 2005,nr. 141.200.

De Raad van State zal bij betwisting enkel kijken of men bij de bevolkingsdienst op basis van de vastgestelde feitelijke elementen geen kennelijk onredelijke conclusie heeft genomen.

Tip voor elke burger die niet vertrouwd is met de macht van een ambtenaar binnen justitie of ander overheidsorgaan. Begrippen als; kennelijk redelijk oordeel, discretionaire bevoegdheid, intiem innerlijke overtuiging, appreciatiemarge, al dit soort begrippen komt er eenvoudig op neer dat de beslissing vanuit het ambt genomen in toepassing voor de burger werkelijk alle kanten kan uitgaan, rechtonzekerheid is voor de burger het enige recht.

Ambtshalve inschrijving, ambtshave afvoering, bewijs & toepassing

Een ambtshalve afvoering kan tot stand komen wanneer wordt vastgesteld dat de betrokken burger zijn hoofdverblijfplaats niet meer heeft op de plaats waar hij ingeschreven staat in de bevolkingsregisters én zijn actuele hoofdverblijfplaats niet kan achterhaald worden. Een ambtshalve inschrijving kan tot stand komen wanneer wordt vastgesteld dat een burger zijn hoofdverblijfplaats heeft op een plaats waar hij niet ingeschreven staat.

De politiediensten signaleren aan de gemeente wanneer personen niet langer hun hoofdverblijfplaats hebben op hun adres van inschrijving, tevens signaleren politiediensten wanneer personen op een bepaald adres verblijven zonder er te zijn ingeschreven conform de vermelding in de bevolkingsregisters. Artikel l4 KB over de bevolkingsregisters. Meer detail kan men vernemen via de omzendbrief van 1 december 2006 houdende richtlijnen voor het verlichten en vereenvoudigen van sommige administratieve taken van de lokale politie, B.S. 29 december 2006, punt II.l.

Lees meer

Het gemeentebestuur dient de burgers op te sporen die zonder aangifte adreswijziging hun hoofdverblijfplaats hebben gevestigd in de gemeente. Het vaststellen van iemand zijn hoofdverblijfplaats is in eerste instantie een gemeentelijke bevoegdheid: de gemeente zal oordelen over aangiftes van een nieuwe hoofdverblijfplaats en kan bij de vaststelling dat de inschrijving in de bevolkingsregisters niet overeenstemt met de werkelijke hoofdverblijfplaats niet alleen overgaan tot ambtshalve afvoering maar ook tot ambtshalve inschrijving.

De ambtshalve inschrijving kan betwist worden bij de minister van Binnenlandse Zaken en vervolgens bij de Raad van State.

Het adres waarop iemand ingeschreven staat in de bevolkingsregisters heeft een zeer grote weerslag bij tal van administraties en overheidsdiensten aangezien deze gebruik maken van de informatie in de bevolkingsregisters, het genereert talrijke en verregaande rechtsgevolgen. Gezien de grote weerslag van de beslissing binnen de bevolkingsdienst bij de gemeente wordt de betrokken burger soms eerst uitgenodigd om alsnog een aangifte te doen, waarna de gewone procedure volgt.

Wanneer de burger nalaat om zelf aangifte te doen, dan zien we vaak dat politie de bevolkingsdienst op de hoogte brengt van feitelijke vaststellingen inzake hoofdverblijfplaats, vervolgens zal het college van burgemeester en schepenen beslissen om de nieuwe inwoner ambtshalve in te schrijven in de bevolkingsregisters. De burger wordt meestal van deze beslissing in kennis gesteld op zijn hoofdverblijfplaats.

De ambtenaar bij de bevolkingsdienst kan retroactief de registratie van de burger wijzigen. RvS 14 september 1999, nr. 82.258.

Deze retroactieve handeling is verantwoord indien uit een onderzoek door de (bevolking)inspecteur blijkt dat de burger reeds lange tijd niet meer op het adres van de inschrijving zijn hoofdverblijfplaats had. Terugwerking is dus mogelijk omdat in wezen niets meer wordt gedaan dan rechtsgevolgen verbinden aan een feitelijke toestand die reeds werkelijk bestond. Er kan wettig retroactief worden gehandeld tot op de dag waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat op die dag de feitelijke toestand die door de betrokken beslissing wordt bekrachtigd, reeds aanwezig was. Rvs 30 oktober 2012, nr. 221.234. Ook bij foutieve inschrijving in de bevolkingsregisters kan de gemeente een inschrijving in het bevolkingsregister achteraf rechtzetten met terugwerkende kracht.

Een vaak terugkomend argument tijdens procedures voor de Raad van State is dat wanneer de Belgische overheid overgaat tot de zogenaamde ambtshalve inschrijving de burger een verplichte hoofdverblijfplaats krijgt oplegt. Dat is uiteraard niet correct. De plaats waar de overheid een burger inschrijft, is geen beperking van het recht zich ergens te vestigen, maar louter het laten overeenstemmen van de bevolkingsregisters met de situatie zoals de overheid de feitelijke situatie van de betrokken burger ziet.

De ambtshalve inschrijving in het bevolkingsregister is declaratief: de burger vestigt ergens zijn hoofdverblijfplaats, dit blijkt uit vaststelling bij de overheid, maar de burger doet daarvan geen aangifte, waarna de overheid gebaseerd op haar vaststellingen overgaat tot ambtshalve inschrijving. Het is volgens de vastgestelde feiten van de overheid dus de burger zelf die als eerste zijn hoofdverblijfplaats heeft gekozen. RvS 29 juni 1987, nr. 28.257 en 28.258, Arr. RvS 1987, 50; RvS 26mei 2008, nr.183.377.

Voor de overheid is de bepaling van de hoofdverblijfplaats gebaseerd op een daadwerkelijke en vrijelijk gekozen woonsituatie vastgesteld op grond van feitelijke objectieve gegevens. De inschrijving in de bevolkingsregisters legt de betrokkene dan ook geen verplichte verblijfplaats op. RvS 25 oktober 1995, nr. 56.024; RvS 4 juli 1996, nr. 60.752.

Het is vanuit de overheid geen verplichting om op het aangegeven adres te gaan wonen; de betrokkene is er, blijkende uit vaststellingen van de overheid, immers zelf al gaan wonen. RvS 14 februari 1992, nr. 217.923.

Voor de overheid verhindert een ambtshalve inschrijving evenmin de mogelijkheid dat de burger nadien zijn hoofdverblijfplaats opnieuw wijzigt en daarvan aangifte doet.

Het aantal ambtshalve schrappingen – schrapping uit de rijksregisters – neemt van jaar tot jaar toe. De precieze hoeveelheid is zelfs niet gekend, in 2013 waren het meer dan 17.000 mensen die uit de rijksregisters werden geschrapt, in september 2014 waren het er al meer dan 16.400.

Afvoering van ambtswege plaatst de persoon in kwestie in een soort van administratieve anonimiteit, met tal van negatieve gevolgen: de identiteitskaart zal geen waarde meer hebben, de kaart zal ook niet kunnen vernieuwd worden, gerechtsdeurwaardersexploten kunnen aan betrokkene niet meer betekend worden, betrokkene verliest zijn stemrecht, de burger bekomt als onbestaande voor de maatschappij op het vlak van sociale hulp en sociale zekerheid, betrokkene verliest binnen afzienbare tijd werkloosheidssteun of invaliditeitsuitkering, hij verliest OCMW-steun, het rijbewijs kan niet worden aangevraagd of vernieuwd, betrokkene kan geen sociale woning aanvragen, betrokkene kan geen juridische bijstand bekomen, men word nationaal geseind waarbij een arrestatie door politie ‘normaal’ en tot de mogelijkheden behoort binnen België….En zo kunnen we nog wel even doorgaan met de lijst van ‘leuke’ ervaringen. Vandaar dat er op zijn zachts gezegd sprake is van zeer ernstig en moeilijk te herstellen nadeel voor de burger.

Van diegene die van ambtswege geschrapt zijn krijgen we vaak te horen dat ze geen uittreksels en documenten meer kunnen bekomen bij de overheid. Dat is uiteraard zeer jammer voor tal van burgers maar met kennis van zaken zijn er meestal toch alternatieven in wat betreft het bekomen van uittreksels en documenten.

Mensen kunnen door allerlei omstandigheden in dergelijke administratieve anonimiteit terechtkomen, een situatie waarbij uit een buurt onderzoek van de politie blijkt dat een persoon ononderbroken afwezig is op zijn hoofdverblijfplaats zonder aangifte te doen van adreswijziging of zonder enige melding te maken, dit kan aanleiding geven tot een afvoering van ambtswege, voor zover de huidige verblijfplaats van de betrokkene niet bekend is.

In bepaalde gevallen gevallen kan reeds onmiddellijk tot een afvoering van ambtswege worden overgegaan (bijvoorbeeld wanneer blijkt dat betrokkene niet meer kan worden aangetroffen op het adres waar inmiddels reeds nieuwe bewoners hun hoofdverblijfplaats hebben gevestigd, terwijl deze nieuwe bewoners niets te maken hebben met de vorige bewoners). De betrokken die aldus nog ingeschreven is op zijn oud adres heeft dan geen aantoonbare haardstede meer, bijgevolg kan een schrapping door de bevolkingsdienst volkomen verantwoord zijn.

Er zijn ook situaties waarbij een medebewoner – al dan niet gerechtvaardigd – aan de politie verklaart dat een ‘vroegere’ huisgenoot niet langer de hoofdverblijfplaats heeft op huidig adres en niet geweten is waar de betrokkene daadwerkelijk woont, ook hier kan na politie onderzoek de schrapping snel volgen.

Omstandigheid waarbij mensen hun woning werden uitgedreven ingevolge de verbreking van de huur of na openbare verkoop van de huurwoning. Of mensen hebben gewoonweg de middelen niet om nog een huurwoning te betalen, wetende dat een gemiddelde huurwoning voor 1 persoon vlug 500 euro kost, men als alleenstaande minstens 1.200 euro per maand nodig heeft – voor een alleenstaande met 2 kids komt dit al vlug op 2.000 euro – om menswaardig te kunnen leven. In onze samenleving zijn er echter heel wat mensen die nauwelijks meer dan 1.000 euro per maand aan inkomsten bekomen, niet verwonderlijk dat deze categorie mensen in een situatie van huur achterstal belanden.

Als het onmogelijk blijkt de nieuwe hoofdverblijfplaats op te sporen, de verblijfstoestand niet kan geregulariseerd worden dan gelast het college van burgemeester en schepenen de afvoering van ambtswege uit de registers op basis van een verslag van het onderzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand, waarin deze ambtenaar vaststelt dat het onmogelijk is de hoofdverblijfplaats te bepalen.

De beslissing tot ambtshalve afvoering wordt ingeschreven in de bevolkingsregisters op de datum van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen. Elke schrapping die de burger ooit bekwam blijft bijgevolg zichtbaar in het overzicht bij de rijksregisters. Ook omwille van het negatief beeld dat dergelijke vermelding van schrapping binnen de rijksregisters geeft is het aangewezen voor de burger om een schrapping te vermijden.

Een verslag van woonstonderzoek waaruit dergelijke situatie blijkt, moet in principe aan het College van Burgemeester en Schepenen voorgelegd worden binnen de maand na de desbetreffende vaststellingen. Indien uit het verslag blijkt dat de betrokken persoon zijn/haar hoofdverblijfplaats in een andere gemeente van het Rijk gevestigd heeft, moet het bestuur van die gemeente daarvan op de hoogte gebracht worden door middel van het formulier ‘model 6’.

De beslissingen tot afvoering van ambtswege gaan in op de datum van de desbetreffende beslissing van het College. De beslissingen tot afvoering van ambtswege dienen te worden opgenomen in het notulenboek van de gemeente.

In theorie is er voorafgaande aan de schrapping van ambtswege een periode voorafgaande, het zogenoemde voorstel tot schrapping van ambtswege heeft een duurtijd tussen een en zes maand. Volgens diezelfde theorie mag politie of gemeentebestuur de procedure – schrapping van ambtswege – niet aanwenden tegen de burger als middel tot pressie of repressie. De afvoering van ambtswege mag door politie of gemeentebestuur dus niet gebruikt worden om problemen op te lossen die niks te maken hebben met de inschrijving als hoofdverblijfplaats (zoals sociale problemen, stedenbouwkundige problemen, problemen i.v.m. de ordehandhaving, ‘lastige’ burger … ). De gemeentebesturen dienen zich bewust te zijn van hun solidariteit wanneer zij zich belasten met moeilijkheden die niet noodzakelijk opgelost worden door onterechte afvoering van ambtswege (zie punt 88, Deel I van de Algemene Onderrichtingen van 1 juli 2010 betreffende het houden van de bevolkingsregisters).

De regels die men bij de overheid dient te volgen voorafgaand aan de schrapping worden in de praktijk niet altijd nageleefd….

Indien achteraf blijkt dat de procedure of afvoering van ambtswege verkeerdelijk werd doorgevoerd, moet het college van burgemeester en schepenen zo snel mogelijk de beslissing tot ambtshalve afvoering intrekken.

De ambtshalve afvoering kan betwist worden bij de minister van Binnenlandse Zaken en vervolgens bij de Raad van State. Afvoering van ambtswege is een zeer moeilijk te herstellen nadeel, in welk geval de Raad van State kan overgaan tot schorsing (in afwachting van een uitspraak over de vordering tot vernietiging).

Vestig uw bewuste aandacht op het feit dat de procedure betreft afvoering van ambtswege door de gemeente dient te worden gehanteerd met de nodige voorzichtigheid, op oordeelkundige wijze dient te worden toegepast als uitzonderingsmaatregel. Ministeriële omzendbrief van 20 april 2006 betreffende de afvoering van ambtswege uit de bevolkingsregisters. België is beroemd & berucht omwille van zijn ‘uitzonderingsmaatregelen’ in de praktijk te herleiden naar het gewoonte recht…

De afvoering van ambtswege kan in theorie slechts overwogen worden als er geen andere – alternatieve – oplossing mogelijk blijkt. De afvoering van ambtswege is in theorie dus de ‘ultima ratio‘ wanneer alle inspanningen om de hoofdverblijfplaats te bepalen zonder resultaat gebleven zijn. Gezien de zeer ernstige gevolgen voor de betrokken burger dient de schrapping van ambtswege ten alle tijden een uitzonderingsmaatregel te blijven die enkel mag worden uiterst restrictief toegepast en voorbehouden moet zijn voor die gevallen waarin het effectief onmogelijk is de nieuwe hoofdverblijfplaats van de betrokkene te achterhalen: (i) een afvoering van ambtswege komt neer op de ‘administratieve dood’ van de betrokkene en is dus zeer nadelig voor de betrokkene, maar (ii) het kan ook frauduleus zijn om schuldeisers te ontlopen, waardoor het evenzeer nadelig is voor deze schuldeisers. We kunnen verwijzen naar een passage uit een arrest van de Raad van State van 7 februari 2013, nr. 222.422: op een brief waarin het voornemen wordt kenbaar gemaakt iemand van ambtswege af te voeren, antwoordde de betrokkene dat de voorgenomen beslissing volledig in zijn voordeel is doordat hierdoor zijn schulden geblokkeerd zijn en hij geen belastingen meer hoeft te betalen. Betrokkene had hier de juiste visie…

Vestig er uw bewuste aandacht op, de meeste situaties van dwang en repressie binnen België komen tot stand door betrokkenheid van een ambtenaar bij de politie. Een procureur maakt zijn eindvordering op basis van een verslag dat hem word aangereikt door een collega ambtenaar binnen politie, evenzo maakt ook de ambtenaar bij de burgerlijke stand zijn verslag op basis van een verslag dat wordt aangereikt door een collega ambtenaar bij de politie.

link: Meer Belgen worden geschrapt

Onschendbaarheid van de woning, eerbiediging van het privéleven, een loos begrip in België

De politie die controle doet van een woning, de hoofdverblijfplaats vaststelt, dat kan in de praktijk onmogelijk zonder de woonst en de privacy van de burger te penetreren. Immers, een diepgaande woonstcontrole houdt in dat ter plaatse wordt vastgesteld of (i) de burger op die plaats wordt aangetroffen in een toestand die aanneembaar de hoofdverblijfplaats blijkt te zijn en zo ja vervolgens, (ii) in welke gezinssamenstelling betrokkene daar woont. Volgens de Belgische overheid en haar vertegenwoordigers moet de overheid om deze informatie te bekomen de woning betreden en intern de woning en haar bewoner onderwerpen aan de appreciatiemarge van de bevoegde ambtenaar. Volgens de overheid levert een vaststelling aan de deur onvoldoende elementen op om een beslissing te nemen wat betreft de reële hoofdverblijfplaats van de betrokkene.

Lees meer

In die omstandigheden rijst zeer terecht onmiddellijk de vraag naar de bevoegdheid van de vaststellende ambtenaar tot het betreden van de woning, dit gelet op de onschendbaarheid van de woning zoals gegarandeerd door artikel 15 van de Grondwet en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven zoals gegarandeerd door artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden – Verdrag van 4 november 1950, afgesloten te Rome.

Maar voor de Belgische overheid is er – zoals gewoonlijk wanneer de mensenrechten in België worden geschonden – alweer geen vuiltje aan de lucht. Zoals men binnen België de toepassing van het Salduz Arrest in zijn praktische toepassing liet herleiden naar een ‘Belgische versie’, een versie waarbij de room werd herleid naar verdunde melk. Zo ook hier het disrespect voor het privéleven van de burgers, de Belgische overheid kiepert alweer op slinkse wijze de mensenrechten door de venster.

Volgens de rechtspraak van de Raad van State is de woonstcontrole – waarbij politie ongevraagd binnenkomt in de persoonlijke levenssfeer van de burger – geen onverantwoorde inmenging in het privé- of het gezinsleven. RvS 29 juni 1987, nrs. 28.257 en 28.258, Arr.RvS 1987, 50.

Volgens overheidsvertegenwoordigers is het Arrest van hun Raad van State correct aangezien zowel artikelen 15 en 22 van de Grondwet als artikel 8 van het EVRM voorziet in mogelijkheden om de bescherming van het privé- en het gezinsleven in te perken indien deze beperkingen bij wet worden vastgelegd en ‘noodzakelijk’ zijn in een democratische samenleving.

Dus wat doet de Belgische overheid, men neemt op listige wijze die beperkingen op in haar wetten met als reden, ‘noodzaak’ voor de Belgische democratie. We kunnen u als lezer veel positief vertellen over het Belgisch beleid en het systeem maar achter de window dressing van de Belgische ‘democratie’, meer dan een pseudorechtstaat & pseudodemocratie is het absoluut niet.

Inzake de woonstcontrole wordt dus voorzien door de wet over de bevolkingsregisters, dit is volgens de Belgische overheid noodzakelijk om de accuraatheid van de bevolkingsregisters te garanderen, waarbij de informatie in de bevolkingsregisters de basis vormt van het sociaal en fiscaal Belgisch systeem.

De politie heeft volgende de Belgische weten geen schriftelijke of voorafgaande toestemming nodig om de woning te betreden omdat de vaststelling van woonstplaats geen huiszoeking is. Het betreden van de woonst door de politie kadert ‘eenvoudig’ in opdracht van bestuurlijke politie en niet in een opdracht van gerechtelijke politie. Door het kind deze naam te geven wist men de Huiszoekingswet van 7 juni 1969 dus listig te omzeilen zodat ze niet van toepassing is op de woonstcontrole. Van Belgische overheidscreativiteit gesproken…

In theorie kan de burger natuurlijk bij z’n deur aan de politie meedelen dat hij het betreden van zijn woonst niet op prijs stelt en waarde hecht aan de eerbiediging van zijn privé & gezinsleven. Mogelijk kan betrokkene rekenen op begrip bij de politie die daar vrede mee neemt en volgt bij de bevolkingsdienst een positief verslag betreft de bepaling van hoofdverblijfplaats.

Maar in de praktijk bestaat er veel kans dat de vaststellende politie beambte er op staat om te worden binnen gelaten in de woning; de vaststellende ambtenaar kan zich geen gedwongen toegang tot de woning verschaffen. Indien echter de vaststellende ambtenaar de toegang geweigerd wordt, zal hij niet kunnen vaststellen dat de betrokkene effectief zijn hoofdverblijfplaats heeft op dat adres en zal de politiebeambte geen positief advies aan de gemeente geven. De vaststellende ambtenaar zal de betrokken burger op de hoogte stellen van de gevolgen van zijn weigering om hem de woning te laten betreden. De burger zal dus ‘vrijwillig’ toegang moeten verlenen indien men wil worden ingeschreven.

Tijdens het woonstonderzoek kan de politie ook bijkomende bewijzen vragen aan de betrokken burger en bij de buren navraag gaan doen betreft de ‘nieuwe’ bewoner. (een optimist zou zeggen kosten nog moeite word bij de Belgische overheid gespaard voor wat betreft de veiligheid en bescherming van de samenleving)

In de praktijk zal de discretionaire macht van de ambtenaar, de groot orde van zijn appreciatiemarge bij het al dan niet tot stand komen van een positief verslag bij de bevolkingsdienst sterk beïnvloed worden à la tête du client.

Tijdens de burger zijn aanvraag om registratie in de rijksregister spelen natuurlijk ook de feiten die heersen tijdens de lopende periode. In theorie mag het niet & kan het niet maar uit ervaring weten we, niet onverschillig blijken de ambtenaren voor het verleden van de burger, zaken zoals de burger zijn huidige status binnen de rijksregisters. Is er in het verleden of op het moment van aanvraag tot adres wijziging een vermelding van ambtelijke schrapping dan word dat vaak met argusogen bekeken. Verder heeft ook het beeld van het ANG politie rapport een invloed op de politie beambte. Een burger die met een schrapping van ambtswege staat, een seining, schrappingen van ambtswege in het verleden, een kleurrijk ANG rapport, al dit soort ‘kleurrijke feiten’ zet een negatieve indruk neer bij de meeste politie beambte en vraagt om meer aandacht bij de ‘beoordeling door hun ambt’. Nogmaals het zou allemaal geen rol mogen spelen maar woonstcontrole en macht over de rijksregisters is mensenwerk….

Politie & bevolkingsdienst, regelgeving op de rijksregisters

De politiediensten dienen aan de gemeenten te signaleren wanneer personen niet langer hun hoofdverblijfplaats hebben op de plaats waar ze staan ingeschreven en wanneer personen verblijven op een plaats waar zij niet staan ingeschreven. Artikel 14 KB over de bevolkingsregisters.

De gemeentebesturen staan in voor het bijhouden van de bevolkingsregisters, deze registers dienen voortdurend te worden bijgehouden. Artikel 5 KB over de bevolkingsregisters. De bevolkingsdiensten dienen de nieuwe inschrijvingen te doen en staan ook in voor het uitschrijven van burgers. Tot slot kunnen zij ook over gaan tot afvoering van ambtswege of inschrijving van ambtswege, dit op basis van meldingen bij de politie.

Lees meer

Het is een uitdrukkelijke taak van de lokale politie om deze controles uit te voeren. Dit wordt bevestigd in de omzendbrief van 1 december 2006 houdende richtlijnen voor het verlichten en vereenvoudigen van sommige administratieve taken van de lokale politie, B.S. 29 december 2006, punt II.1:

“De lokale politie verricht alle onderzoeken en opsporingen op basis van de regelgeving over de bevolkingsregisters in het kader van haar opdracht van algemeen toezicht.

De politieambtenaar moet in staat zijn de demografische verschuivingen en de adreswijzigingen in zijn wijk te volgen. Hij geeft zijn advies op basis van objectieve vaststellingen. De onderzoeken naar de adreswijzigingen beperken zich tot de materiële vaststellingen ter plaatse.

De lokale politie zal het resultaat van haar onderzoeken voor verder gevolg doorgeven aan de bevoegde gemeentelijke dienst. Deze zal instaan voor de afgifte van de documenten. Zo zal de politie enkel tussenkomen op het niveau van de onderzoeken en niet tussenkomen op vlak van afgifte van documenten of attesten.

De opdracht van de politie houdt ook in dat zij (pro)actief handelt door voorstellen te richten aan de bevoegde overheden (College van Burgemeester en Schepenen, Inspectie van het bevolkingsregister bij de FOD) om schrappingen van ambtswege of inschrijvingen van ambtswege uit te voeren.

Daarenboven kan men niet genoeg het belang van deze politieactiviteiten benadrukken in de strijd tegen huisjesmelkers, de fictieve domiciliëring, sociale en fiscale fraude, enz.”

Dit uitgebreide citaat uit de omzendbrief geeft treffend de taken van de politie weer in het kader van de regelgeving op de bevolkingsregisters.

Het is belangrijk dat beide partijen (gemeentebesturen en politiediensten) hun eigen taken en bevoegdheden uitoefenen: de gemeente neemt aangiftes van adreswijziging in ontvangst en speelt deze door aan de politie met het oog op het doen van materiële vaststellingen. Na ontvangst van het verslag van die materiële vaststellingen en op basis van dat verslag, neemt de gemeentelijke ambtenaar een beslissing. Het dient benadrukt te worden dat de politie die beslissing niet neemt; dit is ook in het belang van de politieambtenaar zelf die ter plaatse moet gaan. Ook wat betreft de voortdurende controle op de juistheid van de gegevens, doet de politieambtenaar enkel materiële vaststellingen die hij doorspeelt aan de gemeente, die op basis daarvan de nodige beslissingen zal nemen (ambtshalve inschrijving – ambtshalve afvoering).

Zoals de overheid het officieel voorstelt is het van belang dat de vaststellende – de politie – ambtenaar noch tijdens de woonstcontrole noch in het verslag de beslissing neemt om de betrokkene al dan niet op het opgegeven adres in te schrijven. Deze beslissing word – althans volgens de officiele versie van de overheid – genomen door de ambtenaar bij de bevolkingsdient van de gemeente waar het onderzoek plaatsvind. Onze ervaring leert dat het in theorie inderdaad niet de politieambtenaar is die beslist tot ambtshalve inschrijving of ambtshalve afvoering maar in de praktijk ervaart men dat de ambtenaar bij de bevolkingsdienst het advies volgt dat opgetekent staat in het PV van de ambtenaar bij de politie…

Belgen zonder registratie – overgeleverd aan de instanties

Zoals het behoort binnen een beschaafde maatschappij met culturele waarden, worden mensen met problemen soms tijdelijk opgevangen door vrienden of familie. Sommige krijgen slaapplaats, wasgelegenheid en zo nu en dan mag men meezitten aan tafel. Gelukkig weten de meeste die hulp verlenen aan vriend of familie inmiddels ook wel dat wanneer zij een schuldenaar in huis nemen en deze hulp behoeftige zijn registratie bij hen op hun woning neemt, zij als verstrekker van onderdak en bed geconfronteerd kunnen worden met beslag op hun volledige inboedel en dus niet alleen op datgene wat in de slaapplaats van de schuldenaar staat. Met barmhartig samaritaan gedrag kan men wat tegenkomen….

Beslag op roerend goed kan immers heel eenvoudig worden gelegd op de plaats van registratie, de woonplaats van de schuldenaar. Om die reden zullen behoeftigen met problemen en schulden zelden of nooit hun domicilie adres nemen op de verblijfplaats/woonplaats bij de barmhartig samaritaan die hen opvangt en hulp verleend.

Lees meer

Het beslagbaar zijn van de goederen op de locatie waar de schuldenaar zijn registratie heeft is een perverse uitwerking van artikel 2279 B.W. stellende dat het bezit geldt als titel van eigendom van de bewoner van een woning. In het beslagrecht wordt geacht dat alle bewoners de eigenaar zijn van al hetgeen wat daar staat.

In de praktijk word vaak beslag gelegd op de volledige inboedel van de barmhartig samaritaan die hulp en onderdak verleent, dit indien er registratie werd genomen door de schuldenaar. Vaak omdat de schuldenaar aanvankelijk zelfs niet op de hoogte was van het hangende probleem of omdat de schuldenaar buiten zijn weten om door de bevolkingsdienst van ambtswege werd geregistreerd nadat de wijkagent verslag uitbracht van ‘een nieuwe bewoner’ in de wijk. (zie inschrijving van ambtswege)

Deze vrienden of familie worden als barmhartig samaritaan dan met de rug tegen de muur gezet en verplicht tot een zeer dure revindicatie procedure via de beslagrechter, dit in poging te bewijzen dat hun eigendom wel degelijk hun eigendom is. De rechtspraak inzake de revindicatievorderingen is zeer streng en het bewijs dat men ter zake moeten kunnen leveren is bijna onmogelijk.

De vrienden of familie moeten bij de revindicatie procedure alle mogelijke facturen voorleggen evenals het bewijs van de betaling ervan, maar de beslagrechter kan hier heel eenvoudig overeen stappen door te stellen dat deze stukken enkel bewijzen dat de familie of vrienden mogelijk ooit eigenaar geweest zijn zonder het bewijs te leveren dat zij bij de beslaglegging nog exclusief eigenaar waren van deze goederen. Zelfs wanneer de hulpverlenende vrienden of familie deze dure gerechtsprocedure winnen, zullen zij niet gecompenseerd worden voor de rechtsplegingvergoeding van de advocaat die ze onder de arm namen, een vergoeding die in deze gevallen ten laste gelegd wordt van de beslagene. Dat dit de relatie tussen hulpverlenende vriend of familie en hun sukkelaar die ze in huis hebben genomen absoluut niet ten goede komt mag duidelijk zijn. Vaak worden door dergelijke praktijken de laatste sociale bruggen voor hulpbehoevende opgeblazen.

Ook de ambtenaren bij overheidsdiensten zoals OCMW zijn zich van deze juridische kennis maar al te goed bewust maar niet tegenstaande die juridische kennis maken we toch regelmatig mee dat een hulp behoevende sukkelaar en zijn barmhartig samaritaan tijdens een OCMW bezoek door een sociaal assistent worden geadviseerd en aangemoedigd om toch gewoon de sukkelaar te laten registreren waar hij slaapplaats heeft. Wanneer enige tijd later dan een beslag valt steekt de ‘goede adviseur’ de handen in onschuld. (het vraagt heel wat kennis en vooral ervaring om bij dergelijk beslag het goed en haven te vrijwaren van uitvoering, zoals we reeds optekende via de rechtbank is het te duur en het maakt te weinig kans, praktijk ervaring is de way to go….)

Op basis van nationale en zeker ook internationale wetgeving en verdragen kan men onmogelijk de rechten van een ingezetene koppelen aan het hebben van een verblijfplaats of een woonplaats. Een en ander is strijdig met het Europees verdrag van de rechten van de mens en met artikel 23 van de Belgische grondwet naast andere grondwettelijke bepalingen. Het komt derhalve de administraties toe die mensen te erkennen die geen vaste woonplaats of verblijfplaats hebben en hen in de toekomst geen rechten meer te ontzeggen. Dit klinkt allemaal mooi maar binnen België word dit herleid tot stoffige theorie en dode letter des wet.

Het is schrijnend te moeten vaststellen dat mensen die ambtshalve afgeschreven zijn administratieve moeilijkheden blijven ondervinden bij het bekomen van hun meest fundamentele rechten. Zij worden als dusdanig mensen zonder papieren, ‘persona non grata’ en aldus worden ze ook zo behandeld. De wetgever heeft op een bepaald ogenblik gedacht een en ander te kunnen oplossen met het referentieadres. Het leek de bedoeling van de wetgever om de personen die geen vaste woon- of verblijfplaats hadden de mogelijkheid te bieden zich administratief te laten regulariseren door een referentieadres te kunnen nemen bij een vriend, familielid, VZW met de gepaste statuten en tien jaar rechtsaansprakelijkheid, of zelfs een overheidsinstelling zoals een lokaal OCMW kantoor. Een praktisch oplossing voor een onpraktisch maatschappelijk probleem, zeer goed initiatief mochten de uitvoerende vertegenwoordigers van de overheid de theorie van hun broodheer ook in de dagdagelijkse praktijk willen toepassen. In die dagdagelijkse praktijk echter krijgt de burger af te rekenen met onwillige, zich met discretionaire bevoegdheid gewapende ambtenaren.

We stellen vast dat heel wat gemeentebesturen zeer weigerachtig blijven om een referentieadres toe te staan tenzij de vertrekkende partij het lokaal OCMW is. En de meeste OCMW’s zijn op zijn zachts gezegd terughoudend in het verstrekken van deze maatschappelijke dienstverlening. Vaak koppelen de ambtenaren en politiekers binnen de OCMW’s een en andere van voorwaarden aan hun goedwil tot verstrekking referentieadres. Onrechtmatig en tekenend voor hun machtsmisbruik eist men vanuit het OCMW vaak dat de betrokkene zich laat begeleiden door hun OCMW diensten, voorwaarden die nergens gesteld worden binnen de wet en waarbij de OCMW benadering een à la tête du client loketbenadering is die de betrokken steunzoeker vaak in een al te strak keurslijf wenst te duwen waar niet elke persoon klaar voor is of bereid toe is en uiteindelijk gewoon louter hoofdzakelijk het OCMW agenda moet dienen, de betrokkene ontmoedigen en ontraden. De betrokken steunzoeker krijgt – zeker indien betrokkene blank & Nederlandstalig is – vanuit het OCMW meestal een advies in de vorm van een vraag; ken je niemand in de familie of vriendenkring waar je terecht kan……

Een van de andere voorwaarden die men bij tal van OCMW’s vaak oplegt aan de betrokkene is het instappen in een collectieve schuldenregeling, alweer een regeling die prima past in het agenda van de OCMW’s maar beslist niet voor elke betrokkene de beste oplossingen op maat bied.

De collectieve schuldenregeling is een benadering van de overheid in het insolventierecht waarbij men bepaalde categorieën van schuldenaars wou veilig stellen ten aanzien van hun schuldeisers. Het leefgeld dat men hierbij aan de betrokken sukkelaar uitkeert ligt in de praktijk veel lager dan wat bij wet werd voorzien. De wettelijke minima worden in heel wat gevallen niet gerespecteerd en de leefgelden worden bovendien vaak ontijdig en met veel vertraging uitbetaald, maar wie van de OCMW behoeftige durft, of weet hoe men tegen het OCMW iets kan ondernemen….

Ook wie denkt dat een collectieve schuldenregeling beschermt tegen beslag denkt in de verkeerde richting….. De boedelschulden kunnen immers door beslag worden uitgevoerd en het is even verkeerd te denken dat een collectieve schuldenregeling tot volledige kwijtschelding leidt gezien heel wat schulden buiten het toepassingsgebied vallen van het artikel van het Ger.W. dat de kwijtschelding mogelijk maakt. Op ons kantoor en op het internet mochten we duizenden reacties vernemen van mensen die zich bekocht en verkocht voelen in dergelijk collectieve schuldenregeling die hen in een totaal onleefbare situatie heeft gebracht. De meeste sukkelaars die zich laten overhalen om in collectieve te stappen komen te laat tot inzicht. Het aantal mislukkingen bij de collectieve schuldenregeling is dan ook zeer groot.

Wat we vaak horen van mensen die in collectieve schuldenregeling zitten is het gebrek aan communicatie en zelfs respect, dit vormt vaak de directe of indirecte aanleiding tot de herroeping van vele collectieve schuldenregelingen. Na deze herroepen collectieve schuldenregeling staat de schuldenaar opnieuw met de billen bloot aan de bedreigingen van deurwaarder en beslag. Opnieuw ziet de schuldenaar de noodzaak op zoek te gaan naar een aparte woonplaats.

Referentieadres, GRATIS rijksinschrijving via het OCMW van de overheid

Uw inschrijving bekomen in de rijksregister, dit met behulp van de overheidsvertegenwoordigers bij het Openbaar Centrum Maatschappelijk Welzijn, zonder enige twijfel is dit de beste vorm van registratie binnen België. Het is voor de burger die deze maatschappelijke dienstverlening bij het OCMW weet te bekomen volledig GRATIS !

Zoals de Belgische overheid deze dienstverlening bij haar OCMW voorstelt, vlot te verkrijgen en zeer snel opgenomen in de rijksregister.

Het is zonder meer een prachtige GRATIS oplossing voor een maatschappelijke problematiek. In de praktijk geeft het voor burgers die er trachten aanspraak op te maken een heel aparte ervaring…

Lees meer

De burgers die bij gebrek aan voldoende bestaansmiddelen geen verblijfplaats hebben of geen verblijfplaats meer hebben en die bij gebrek aan inschrijving in de bevolkingsregisters geen maatschappelijke bijstand kunnen genieten van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of om het even welk ander sociaal voordeel ontberen, worden volgens artikel, § 2, vijfde lid van de wet over de bevolkingsregisters ingeschreven op het adres van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar zij gewoonlijk vertoeven.

De voorwaarden daarvoor zijn: (zie ook artikel 20, § 3 wet over de bevolkingsregisters)

– Niet meer ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters.

– Dienstverlening vragen aan het OCMW.

– Zich minstens éénmaal per trimester aanbieden bij het OCMW.

De inschrijving door de gemeente gebeurt zeer eenvoudig op basis van een document dat het OCMW aflevert.

Het OCMW zal nagaan of de ‘dakloze’ effectief een gebrek aan voldoende bestaansmiddelen heeft en dus aanspraak kan maken op de dienstverlening van het OCMW. Is dat niet het geval dan zal betrokkene ook niet op het adres van het OCMW ingeschreven worden.

De dakloze dient dienstverlening te vragen aan het OCMW van de gemeente waar hij gewoonlijk vertoeft. Dit komt bijgevolg neer op een vrije keuze voor de dakloze. Die ‘vrije keuze’ waar de wetgever op doelt die blijkt in de praktijk door tal van OCMW vertegenwoordigers toch een andere toepassing te vinden…

Indien de betrokkene niet meer voldoet aan de voorwaarden, dient het OCMW dit te melden aan het college van burgemeester en schepenen, dat college dient over te gaan tot ambtshalve afvoering.

De bedoeling van het referentieadres bij het OCMW is om een dakloze op deze manier in staat te stellen zich administratief in orde te stellen (o.a. een leefloon aan te vragen), waarna hij opnieuw ergens zijn hoofdverblijfplaats kan vestigen en vervolgens op die hoofdverblijfplaats dan ingeschreven kan worden in de bevolkingsregisters. De inschrijving op het adres van het OCMW is dus in principe slechts voor een periode in de ‘overgang’ naar een ‘echt’ adres waar men domicilie neemt.

De mogelijkheid in de regelgeving voor een dakloze om een referentieadres bij het OCMW te nemen sluit niet uit dat de dakloze een referentieadres bij een natuurlijke persoon neemt. Daarbij moet dan wel nagegaan worden of de betrokkene daar niet effectief zijn hoofdverblijfplaats heeft en of hij niet elders effectief zijn hoofdverblijfplaats heeft.

Een adres poste restante kan geen referentieadres zijn. Dit geldt evenmin voor een gewone brievenbus in een gebouw waar niemand zorgt voor de eventuele post.

In de praktijk ervaren we vaak het machtsmisbruik vanuit het OCMW, hoe misbruik wordt gemaakt van de ‘omgekeerde bewijslast’. Als de hulpbehoevende burger geen ‘vriendje’ heeft binnen het OCMW dan zal vaak vanuit de politieke hoek binnen het OCMW de eis worden gesteld dat de betrokkene persoonlijk moet bewijzen dat hij hulpbehoevende is en nergens anders terecht kan voor hulp. Het eisen van dergelijke omgekeerde bewijslast is volstrekt degoutant, voor de burger niet te bewijzen, en dat weten de politiekers en hun ambtenaren binnen het OCMW natuurlijk ook…

We kunnen het niet genoeg benadrukken, het GRATIS referentie adres bij het OCMW van de overheid is de beste vorm van registratie die in België verkrijgbaar is.

Het is voor sommige burgers dan ook aangewezen om in eerste instantie beroep te doen op de ‘gratis’ dienstverlening bij de overheid, trachten om via de ‘sociale’ overheidsinstanties alles uit te putten. Van alle OCMW kantoren in Vlaanderen & Brussel blijkt de laatste jaren het OCMW van Mechelen het eenvoudigst penetreerbare te zijn, vooral wat betreft GRATIS referentie adressen. Allicht is dit te Mechelen zo gunstig geëvolueerd dankzij de aanwezigheid van VZW Ons Centraal Maatschappelijk Welzijn, een aanwezigheid waar vooral dhr. Koen Anciaux als VLD politieker en OCMW voorzitter het persoonlijk zeer moeilijk mee heeft. Enkele jaren geleden heeft dhr. Elfri De Neve uit Oudenaarde contact opgenomen met VLD politieker Anciaux, sluw ingesteld zoals die De Neve is wist hij de politieker voor zijn kar te spannen. Sindsdien hebben beide publieke figuren via hun politieke & media relaties niets geschuwd in poging een negatief beeld op te hangen betreft VZW Ons Centraal Maatschappelijk Welzijn. Dhr. Koen Anciaux & dhr. De Neve gaven meermaals blijk van een verbeten negatieve geestesgesteldheid t.a.v. onze VZW. Dat is zeer goed nieuws voor alle burgers die behoeftig zijn, men kan er z’n voordeel mee doen.

We adviseren mensen dan ook vaak om eerst even langs te gaan bij het OCMW van Mechelen, zelfs al werd men daar voordien met een kluitje in het riet gestuurd. Uit de feedback van de hulpbehoeftige blijkt soms dat louter het vernoemen van onze VZW reeds voldoende was om de hulpverlening binnen het OCMW te Mechelen aan te zwengelen, sommige van de ambtenaren en politiekers binnen dat OCMW te Mechelen worden blijkbaar ‘gevoelig’ wanneer een hulpbehoeftige burger laat verstaan dat hij contact had met onze VZW.

Ons advies, wanneer je als hulpbehoeftige bij een OCMW vertegenwoordiger te Mechelen langsgaat vertel dan dat je ten einde raad bent en op het punt staat een betaling te doen aan VZW Ons Centraal Maatschappelijk Welzijn, verwijs naar de informatie op deze website, verleden wees uit dat dit de olie op een aangenaam vuurtje kan vormen. Men kan als burger natuurlijk nog wel enkele andere spelregels in acht nemen waar men binnen OCMW Mechelen gevoelig voor is en deze spelregels toepassen bij een bezoek aan het OCMW opdat de bevoegde ambtenaar dienstig & gemotiveerd mag worden. Eenmaal men bij het OCMW van Mechelen een gratis referentieadres bekomen heeft ligt ook een – sociale – woning en uitkering veel korter binnen uw bereik…

Registratie buiten de hoofdverblijfplaats – het leven zoals het is!

De voorbije 14 jaar maakten wij kennis met het ‘domicilieadres’. Hiermee groeide ook onze overtuiging dat voor tal van mensen het nemen van een ‘domicilieadres’ vaak het gevolg was van een levenswandel die niet over rozen liep. Jaar na jaar stijgt bij ons het aantal aanvragen om hulp, meestal onder invloed van stukgelopen relaties, financiële en andere problemen, opgegroeid in een tehuis, de partner of het gezin niet willen opzadelen met problemen zoals alcohol gebruik, problemen met justitie, gedrags-en/of psychologische problemen, behoud van zelfstandigheid en het eigen inkomen. Etc, etc…

Voor sommige politiekers en hun vazallen binnen de ambtenarij zijn ‘adreshuurders’ allemaal fraudeurs. Ons inziens moet dit standpunt tot frauderende criminelen enigszins genuanceerd worden. Wij wensen onderscheid te maken tussen de echte fraudeurs en kleine burgers die ten onrechte als fraudeurs worden bestempeld.

Lees meer

Vazallen dienen hun broodheer, de gemiddelde ambtenaar dient zijn politieker.

Link: Vlaanderen Corrupter

Bij de zogenaamde domiciliefraude gaat het niet om witteboordencriminelen die met hun lobby en relaties binnen justitie en politiek de Belgische schatkist plunderen via bijvoorbeeld een Luxemburg route, een Dexia fraude of een grote onderneming waarbij in de raden van bestuur word gezeteld door allerhande politiekers & Co.

(zoals Ivan Van de Cloot in zijn boek ‘Roekeloos’ komt te getuigen; de burgemeester van Brussel wilde het niet. Dhr. Van de Cloot verwijst hier naar de PS’er Yvan Mayeur, een belangrijk personage in het boek ‘Roekeloos’. Dhr. Van de Cloot getuigt in zijn boek dat de PS’er Yvan Mayeur in het parlement zonder blikken of blozen zei dat “we geen onderzoekscommissie oprichten want dan komen we bij eigen mensen uit”. Inderdaad er zaten veel PS’ers in de bestuursorganen van Dexia tot Di. Rupo toe.

Ivan Van de Cloot; nergens is particratie pijnlijker dan wanneer parlement faalt in controle op uitvoerende macht: vertegenwoordigen van het volk of van de partij?)

Durven we nog geloven in de zuiverheid van de parlementaire democratie? Rik Torfs: “Dan lijkt met het geloof in Sinterklaas realistischer”

Links:

Ivan Van de Cloot – Roekeloos

Ivan Van de Cloot – Kan niet alles vertellen

Politiekers zijn niet te verhoren

Burgers die op zoek moeten naar een plaats om zich te registreren zijn niet het soort van klanten dat je vindt bij een megabank als HSBC, die bank pleegde duizenden door het gerecht bewezen overtredingen voor het witwassen van geld uit drugs, prostitutie en mensenhandel. Het artikel van De Tijd van 3 September toont aan hoe omvangrijk de ‘HSBC – fraude’ wel is. Er zijn honderden diamantairs bij betrokken, zelfs de top van de sector, goed voor 1 miljard dollar zwart geld. Bij HSBC kwam men ervan af met een boete die een fractie is van wat ze eraan verdienden en niemand werd persoonlijk vervolgd voor een rechtbank, laat staan gestraft. Ook bij de diamantfraude te Antwerpen werd vanuit Brussel wetgeving op maat geschreven en vervolgens werd conform de gebruikelijke klasse justitie dit maatwerk achter gesloten deuren afgehandeld tussen gelijkgezinden, via ons kent ons werd het ‘zaakje’ afgekocht.

Link: Diamantgate

Met ervaring en een terugblik op het verleden weten we hoe groote fraude in de toekomst gaat afgehandeld worden tussen de vrienden.

Link: Belgisch gerecht vraagt Zwitserland

De wetgeving op afkoop & schikking voorziet er in dat de juist geplaatste – dien te verstaan correct gepromoveerde – magistraat binnen het parket zonder bemoeienis van buitenaf de zaakjes achter gesloten deuren kan afhandelen zonder dat aan enige zijde niemand van de betrokken criminelen enige veroordeling of strafblad bekomt. Bij nacht en ontij worden deals afgesloten tussen (witteboord)criminelen dit met goedkeuring van justitie. In de middeleeuwen bestond ook al de kidnapping en vrijlating tegen losgeld. In België werd een wetgeving, geschreven in opdracht van grondwetsspecialisten die tegelijk ook al optraden als raadsman voor de diamantsector en andere molochs, en stiekem gewijs werd deze wetgeving op maat snel door de betreffende commissie gesluisd dank zij CD&V en “liberalen”. (welke naïeveling denkt aan toeval, wetende dat vorig justitie minister was Liberaal mevr. Annemie Turtelboom, huidig justitie minister is CD&V meneer Koen Geens)

Binnen de ‘democratie’ van België komen de (super)fraudeurs weg met ridicule voorstellen van 1% losgeld en door neerlegging van hun dossier kan men er tegelijk ook voor zorgen om tot een akkoord te komen, zodat het gerecht ook niets meer mag doen met de informatie of documenten die tijdens de gesprekken zijn opgedoken. De informatie of documenten mogen niet meer als bewijs worden gebruikt, ook niet in andere procedures. Zelfs niet als over andere personen strafbare feiten aan het licht kwamen. Zodat vaak ook andere mogelijke strafzaken daarna zonder meer in rook opgaan en NULL financiële schikking kan opbrengen. Er rest de (witteboord)criminelen slechts de onkosten voor hun gespecialiseerde raadsmannen… Onkosten van een grootteorde die een burgertje dat z’n domicilie registratie buiten de hoofdverblijfplaats neemt, niet kan ophoesten… Barbertje zonder centen is een barbertje dat zal hangen.

Dat ook de witteboord van menig ambtenaar hoog genoeg is kunnen we zien aan de uiterst zelden uitgesproken ‘straffen voor ambtenaars’; strafmaten die neerkomen op bijvoorbeeld schorsing met behoud van loon of wegpromovering. Soms word voor de betrokken ambtenaar zelfs een job op maat gecreëerd een ‘functie’ die voordien nog niet bestond, vervroegd op pensioen mogen gaan, of men laat de strafzaak doodleuk verjaren.

Link: KB Lux rechter – Niet gestraft

Zelfs Damien Vandermeerch, advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie laakt de praktijk waar schikkingen tussen rijke financieel criminelen en parket worden getroffen tot afkoop. Laat duidelijk zijn dat er geen ontevredenheid klinkt vanuit de hoek bij het parket, diegene die de macht hebben om de schikking met de fraudeur al dan niet toe te staan, deze magistraten klagen niet….

Link: Zware criminelen mogen proces afkopen

Op het moment zijn fiscus en echtscheidingszaken de meest serieuze bedreigingen voor haven en goed. Maar nieuwe donkere wolken pakken zich samen boven ons rechtsstelsel. Het is erg nuttig om de ontwikkelingen in Amerika op de voet te volgen. België loopt tussen de 5 en 10 jaar achter, dus Amerika is de perfecte kristallen bol voor de Belgische toekomst. Ik zal wat voorbeelden geven zonder de pretentie te hebben volledig te zijn. Neem als voorbeeld het confisqueren & verbeurdverklaren, in Amerika is het al lang legaal om de burgen tot op het bot te strippen van haven en goed, zonder dat er een rechtszaak of enige veroordeling aan te pas komt.

Nog altijd zijn de meeste burgers in België en vaak ook de advocaat die ze raadplegen van overtuiging dat men in België de burger niets kan afnemen of de burger niet kan veroordelen zonder bewijs. België loopt vol met slaapwandelaars en gebrainwasht stemvee die de overtuiging hebben dat de Belgische staat de burger niet kan schaden zonder belastende bewijzen. Slaap rustig verder wil ik hen zeggen.

Parket – vaak met listig misbruik van het Centraal Orgaan Inbeslagname Verbeurdverklaring – heeft vergaande bevoegdheid om over te gaan tot confiscatie van eigendommen zonder enige vorm van proces. Waarbij een staatsonderneming als het COIV een boekhouding voert die niet waarheidsgetrouw is, met dergelijke boekhouding staat de deur open voor kwaadaardige anomalieën. Tip, lees eens het boek van voormalig COIV directeur dhr. Francis Desterbeck. ‘Misdaadgeld Misbruikt’ ISBN 9460011489

Link: Miljoenenschandaal bij justitie

Desterbeck was voorheen directeur van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring (COIV), heden is de man advocaat-generaal te Gent. Vanuit die functie scheef hij nog een boek ‘Krachtlijnen van het fiscaal strafrecht en fiscaal strafprocesrecht’ ISBN 2804451488

Link: Uitgeverij Larcier

Ook de opvolger van dhr. Desterbeck, Thierry Freyne laat weten dat het bij het COIV nog altijd een puinhoop is. Uit ervaring weten wij, voor een corrupte magistraat is het COIV net zoiets als een speeltuin voor een kindermisbruiker.

Link: Je wil niet weten hoe justitie het doet

Hebt u als burger de middelen en de juiste relaties met toegang tot de lobby der nobele of beschikt u eenvoudigweg over een Aquino- vermogen dan hebt u de middelen tot het bekomen van een batterij advocaten ter bescherming tegen overheid & justitie.

Link: Parket tapte ook Aquino advocaten

De overeenkomsten tussen de roverheid en criminelen uit de privé is iets wat we wel vaker tegenkomen. De Belgische politiestaat, waar u als burger niet mag over het hek kijken terwijl de roverheid uw koe steelt. De politiestaat waar vertegenwoordigers van de roverheid kunnen worden geschorst met behoud van loon, weggepromoveerd worden of met vervroegd pensioen worden beloond.

Links:

Integraal de gewraakte telefacts

Vandaag: Rechter Francine De Tandt

Clint: Rechter Francine De Tandt opnieuw voor de rechter

Omkoping doodnormaal in de rechtbank

Ambtenaren voor rechter wegens corruptie

Ex-ministers kunnen overheid tot 10 miljoen euro kosten

Ex-ministers kosten overheid miljoenen

Heb je niet de nodige middelen om aan tafel te zitten met de grote dan sta je als kleine op het menu. De pseudo rechtstaat waar menig procureur zijn vorderingsrecht meent te moeten misbruiken om een klein burgertje af te rekenen.

Links:

Een afkoopwet voor koffiekoeken? – Paul Quirynen

Wraakjustitie in Hasselt

Vooral uit de VLD hoek komen politiekers zoals o.a. mevr. Minister Annemie Turtelboom, heer Minister Bart Tommelein, heer Minister Vincent Van Quickenborne, Kamerlid Mathias De Clercq, graag via de media belangstelling hun verontwaardiging verkondigen.

Links:

Tommelein zegt sociale fraude te bestrijden

Tommelein overweegt meldpunt voor sociale fraude

Domiciliefraude strafrechtelijk

VLD beweert domiciliefraude aan te pakken

LACHAERT TEVREDEN OVER AANPAK SOCIALE FRAUDE DOOR STAATSSECRETARIS TOMMELEIN

VLD zegt druk op te voeren

Vooral mevr. Minister Turtelboom, zij kwam zowel tijdens haar positie als Minister binnenlandse zaken en ook later als Minister van Justitie zeer dreigende taal spreken. Het is maar ten zeerste de vraag hoe keurig dat deze ministers zelf voor hun deur vegen. Mogelijk zijn sommige Ministers en hun Magistraten te druk benomen met hun eigen agenda.

Links:

Turtelboom, veel geblaat weinig wol

Turtelboom verzwijgt subsidies

Turtelboom schrapt 48 miljoen euro aan energiepremies

Wanbeleid binnen de overheid

Turtelboom blijft doof voor Werkgoep Morkhoven

Turtelboom liet karrenvracht onbetaalde facturen achter

Justitie heeft voor 136 miljoen euro aan openstaande facturen

Het huren van een kamer of een adres gebeurd vaak uit noodzaak, bijvoorbeeld om een relatie of gezin leefbaar te houden, dit kan bijdragen tot overlevingsstrategie en is niet noodzakelijk sociale fraude. Wij willen in deze context dan ook spreken van ‘overlevingsfraude’. Voor diegene die het niet eens zijn met onze visie, we zijn altijd bereid om onze visie en standpunten inzake deze maatschappelijke problematiek verder toe te lichten in de vorm van een dialoog met verantwoordelijke van de overheid, maar binnen de overheid neemt niemand verantwoordelijkheid en van uit hun gemanipuleerde media laat men natuurlijk liever een vertekend eenzijdige versie horen.

We stellen vast dat sommige die van een uitkering overleven inderdaad ‘een hogere uitkering’ bekomen wanneer ze alleen wonen of als dus geregistreerd staan. Mensen die moeite hebben de eindjes aan elkaar te knopen en beslissen om te gaan samenwonen, willen niet direct hun inkomen, verminderd zien. Het gevolg is dat zij op zoek gaan naar uitwegen en een tweede adres aanhouden. (bron; VNA werkgroep wonen – tekst: bewonersstatuut, 2008)

Wij sluiten ons aan bij het standpunt van het VNA (Vlaams Netwerk van verenigingen waar Armen het woord nemen). In principe zijn wij tegen alle vormen van fraude, zeker als die fraude uitgaat van de overheid, maar die roverheid heeft geen belangstelling om haar eigen vlees te keuren. Datgene wat de overheid als ‘sociale fraude” bestempelt blijkt voor veel mensen een bittere noodzaak.

De keuze voor een aparte domicilie maakt het voor de behoeftige mogelijk zijn/haar familie, partner gedeeltelijk af te schermen van allerhande problemen. Veel vrouwen – niet noodzakelijk na opname in een blijf van mijn lijf huis – staan erop een stuk zelfstandigheid te behouden. Een eigen inkomen speelt daarin een belangrijke rol. Zij zijn niet happig om dit zomaar op te geven en alweer alles samen te leggen met een nieuwe partner. (deels overgenomen via Bron; VNA-werkgroep huisvesting, tekst bewonersstatuten, 2008) Wij zijn van mening dat de relationele motieven die sommige behoeftigen aangeven niet zomaar over het hoofd mogen worden gezien.

Wanneer kwetsbare mensen gedwongen worden tot ‘verplicht officieel samenwonen’ is het zeker niet uit te sluiten dat er snel ‘nieuwe problemen’ ontstaan, onder andere wanneer iemand financiële problemen heeft. Op korte termijn kan het ‘samenwonen’ spaak lopen en begint de administratieve mallemolen weer van vooraf aan. Heel wat mensen worden door de bestaande regelgeving en praktijken van de overheid min of meer in een fraudesituatie gedwongen.

Redenen waarom mensen niet officieel gaan samenwonen en een tweede adres behouden;

Na het motief ‘schulden’ werden ‘relationele motieven’ het vaakst aangegeven als redenen voor het niet officieel samenwonen. Heel wat mensen kiezen er voor zich niet te domiciliëren op hetzelfde adres, ook al verblijven ze regelmatig samen.

Bij het begin van een opstartende of knipperlicht-relatie zullen mensen niet altijd meteen officieel willen gaan samenwonen, het aanhouden van twee volwaardige woningen is echter een dure aangelegenheid, hierbij vormt tijdelijk een ‘eigen kamertje’ buiten de hoofdverblijfplaats soms de oplossing.

LAT-relaties of een andere vorm van living together apart, ook de instap in een relatie met een nieuwe partner met kinderen is ook niet altijd eenvoudig. Soms wordt periodes samengewoond, afgewisseld met periodes dat men apart woont. Een time-out plek hebben kan in functie van een stabiel gezinsleven. De time-out plek kan zeer waardevol zijn in het ondersteunen van de relatie, vooral in gezinnen waar er problemen zijn of de relatie bestaat uit een nieuw samengesteld gezin, kan het zinvol zijn dat één van de ouders een ‘time-out’ plek heeft waar hij/zij naartoe kan als het allemaal te veel wordt en de situatie dreigt te ontploffen. Mensen hebben het recht een leven te leiden en relaties aan te knoppen hoe en waar ze dat verkiezen, als de overheid het daar moeilijk mee heeft dan is dat het probleem van de overheid.

Gedetineerden, GRATIS inschrijving bij vrijheidsberoving

Wanneer de band met het gezin waarvan de gevangene voorheen deel uitmaakte tijdens zijn verblijf in de gevangenis verbroken wordt of als de gevangene over geen enkele haardstede (= eigen woonst in huur of eigendom hebben waar men ingeschreven staat) meer beschikt zal vaak de inschrijving op de vroegere hoofdverblijfplaats vaak niet behouden blijven. De gevangene kan dan ingeschreven worden op het adres van de strafinstelling.

Bij het uitblijven van een ten uitvoering tot inschrijving wordt het geschil ter beslechting voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken.

Op initiatief van de directeurs van de gevangenissen en de instellingen voor sociale bescherming, worden de gemeenten zowel verwittigd, bij de opsluiting, als bij de vrijlating van personen die in hun registers ingeschreven zijn.

Lees meer

De mededeling van de opsluiting en de vrijlating gebeurt dagelijks in de vorm van een fotokopie van het bovenste gedeelte van het opsluitingsformulier.

De personen opgesloten in gevangenissen of in instellingen voor sociale bescherming – die op het ogenblik van hun opsluiting tot een gezin behoorden – blijven tijdens hun opsluiting ingeschreven in de bevolkingsregisters van de gemeente waar dat gezin zijn verblijfplaats heeft. Zij worden beschouwd als tijdelijk afwezig uit de verblijfsgemeente van het gezin.

Gedetineerden die bij hun opsluiting noch haard, noch gezin hebben in een gemeente van het Rijk dienen te worden ingeschreven op het adres van de gevangenis of van de instelling voor sociale bescherming, dit voor zo ver de directeur van de inrichting akkoord gaat. Bij ontstentenis van het akkoord van de directeur van de inrichting, wordt het geschil ter beslechting voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde.

Op dezelfde wijze worden gedetineerden ingeschreven op het adres van de gevangenis of de instelling voor sociale bescherming waar ze opgesloten zijn, dit wanneer tijdens de periode van hun opsluiting de breuk der band met het gezin of de haardstede waartoe ze behoorden tot stand komt tijdens de duur van hun opsluiting. Dergelijke breuk dient te worden vastgesteld, bevestigd door een schriftelijke verklaring van de referentiepersoon van het genoemde gezin of de genoemde haardstede, waardoor laatstgenoemde de werkelijkheid en het onherstelbare van de breuk bevestigt en zich door dit feit verzet tegen het behoud der rijksinschrijving van de gedetineerde op het adres van het gezin.

Wanneer tijdens de opsluiting blijkt dat de gedetineerde deel uitmaakt van een nieuw gezin (tot stand gekomen in gevolge een huwelijk of een adoptie, of wanneer het bestaan van een nieuwe relatie expliciet wordt bevestigd door de gevangenis-directie) wordt de gedetineerde, op zijn verzoek en mits toestemming van de referentiepersoon van het gezin, op het adres van dat gezin ingeschreven.

Bij inschrijving op het adres van de gevangenis of de instelling voor sociale bescherming zijn er veranderingen van hoofdverblijfplaats bij elke verandering van inrichting. Bij elke verandering van inrichting dient hiervoor telkens het akkoord van de directeur van de nieuwe inrichting te worden gevraagd.

Vaak zijn de verantwoordelijke binnen de gevangenis weigerachtig t.a.v. registratie op hun inrichting. Ons inzien kan er toch weinig discussie of onzekerheid bestaan over het feit waar de gevangene zijn hoofdverblijfplaats daadwerkelijk geniet tijdens de vrijheidsberoving…

Niet officieel maar wel in de praktijk, niet zelden worden gevangenen geïntimideerd vanuit het gevangeniswezen, een vervroegde vrijlating of vrijlating onder voorwaarden kan in het gedrang komen indien de gevangen – tegen advies van het gevangeniswezen in – toch zou aandringen om de adres registratie te nemen op de gevangenis…

Gedetineerden die van ambtswege zijn afgevoerd uit de bevolkingsregisters dienen te worden ingeschreven op het adres van de gevangenis of instelling voor sociale bescherming (mits het akkoord van de directeur van de inrichting). Indien dit een vreemdeling betreft, kan betrokken gedetineerde pas terug worden ingeschreven nadat werd geverifieerd of betrokkene nog steeds toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf of vestiging (d.w.z. nadat het dossier werd voorgelegd aan de Dienst Vreemdelingenzaken, Bureau Lang Verblijf) (de omzendbrief dd. 6 april 2009 van de Dienst Vreemdelingenzaken).

Het hebben van een ‘vast adres’ is een van de vele absurde eisen die ambtenaren bij justitie opleggen aan gedetineerden die de gevangenis willen verlaten. Het hebben van werk is zo een andere dwangmaatregel waarbij de overheid haar verantwoordelijkheid van zich afschud door mensen te dwingen tot zelfredzaamheid. Binnen de overheid is natuurlijk geweten, ex-gedetineerden die zich door registratie en werk laten re-integreren maken moeilijker aanspraak op een sociale erkenningen op basis van detentieschade…

Gezien de machteloosheid binnen het systeem en de onwetendheid van de meeste mensen die van de vrijheid werden beroofd is er binnen de gevangenis muren veel vraag naar informatie betreft de materie van rijksinschrijving en hoe het bekomen van – sociale – vergoedingen… Wie de materie op onze website goed machtig is kan zich binnen de gevangenis muren voltijds nuttig bezigheid houden, potentieel cliënteel in overvloed….

nl Dutch
X